Archive for the 'Reviews/Articles' Category

Upcoming: March 2011

February 1, 2011

When the Landscape Begins to Map the Cartographer (4.3.2011)


The article When the Landscape Begins to Map the Cartographer will be published on the 4th of March by P.A.I.R, (a mobile, artists initiative by PeerGrouP, the northern Holland based theatre company specializing in site-specific theatre.)

Since 2009, P.A.I.R has offered temporary residence for international artists. Selected artists make a given theme their starting point, relating to their surroundings and neighbours, making use of their knowledge, art and tools.

In 2010 the theme was chorography and I was invited by Henry J. Alles from P.A.I.R to write about this subject in relation to the specific residency of Louie+Jesse, an English artist duo.

The resulting text: When The Landscape Begins to Map The Cartographer will be published in the publication P.A.I.R. 2010 Chorografie and on this website after the 4th of March.

http://www.peergroup.nl/informatie/english-information/

http://www.peergroup.nl/pair/#english-information



Advertisements

A Certain Capacity for Occupying Space -review

April 4, 2010


Deirdre M. Donoghue’s A Certain Capacity for Occupying Space, written by Laurie Cluitmans


‘She told me not to wear it’ zegt de vrouw op de stoel tegenover me.

‘It was metal, rounds and squares, all connected, and I lost it.’ Ze is zichtbaar aangedaan, maar het volgende moment spreekt ze alweer vrolijk als een kind en even begeesterd van sneeuwpoppen die dezelfde vorm hebben als de vlek op de grond. Dat wat op een associatieve manier aan mij en de directe omgeving herinneringen oproept, spreekt Deirdre M. Donoghue uit. Ik sta op uit de stoel en de herinneringenstroom stopt.

‘Performing Memory’, zoals de performance heet, is onderdeel van de presentatie van de Fins-Ierse kunstenaar Deirdre M. Donoghue bij Kunsthuis Syb. Donoghue studeerde o.a. dramaturgie en fotografie in Ierland en behaalde in 2007 een MA diploma aan het Piet Zwart Instituut in Rotterdam. Hoe herinneringen werken, hoe ze hun weg zoeken naar de alledaagse realiteit en die vinden in onze taal en gedrag, om deze op hun beurt te vormen, zijn vragen die centraal staan in Donoghue’s recente werk en in deze tentoonstelling.

Zowel voor kunstenaars en cultuurhistorici is het zogenaamde ‘cultural memory’ in de afgelopen decennia een inspirerend onderwerp en onderzoeksgebied gebleken. De relatie tussen het persoonlijk beleefde en het cultureel geconstrueerde is een van de vele aspecten van de culturele herinnering, die ook in het werk van Donoghue een centrale plek inneemt. Deze achtergrond doet sterk theoretisch aan en kan de drempel voor de spontane bezoeker van Kunsthuis SYB verhogen. Toch hoeft dat niet zo te zijn.

Mijn ervaring van ‘Performing Memory’ is in eerste instantie hoogstpersoonlijk. Donoghue’s herinneringen klinken mij dan als betekenisvolle poëzie in de oren, dan juist als kinderlijke verhaaltjes zonder werkelijke kop en staart. De ervaring is intiem en lijkt een blik te werpen in de psyche van de persoon tegenover mij. Ik vraag me af of het waar is wat ze zegt. Zijn dit haar werkelijke herinneringen of is het een aangepaste variant van het surrealistische automatisch schrijven? Haar woorden maken me wat ongemakkelijk en overdreven bewust van mijn eigen aanwezigheid, daar zittend, luisterend. Maar, ze maken me ook bewust van de vragen die het oproept. Zijn haar herinneringen, is een herinnering, waar? Wat zegt een herinnering eigenlijk over de werkelijkheid? En hoe vormt deze de werkelijkheid? Een interessante wisselwerking ontstaat tussen kunstenaar en beschouwer, die niet slechts een actief – passief tegenstelling is. Voor een seconde lijkt de werking van de herinnering concreet te worden in de vorming tussen twee personen die de herinnering in het hier en nu sturen.

Drie weken na de performance bezoek ik de eindpresentatie van Donoghue, welke bestaat uit twee videowerken en het zogenaamde Open Office for Words, een doorlopend project waar de kunstenaar een bijeenkomst organiseert over een specifiek thema, in dit geval ‘Constituting Reality, Does the medium make the memory’ en diverse sprekers uitnodigt om hun ideeën uit te wisselen aan de hand van meegenomen boeken, onder het genot van taart en koffie. In de video ‘Kitchen Lecture: notes on gesture’ zien we de kunstenares die tijdens het bereiden van de maaltijd een lezing geeft over gebaren. Het wordt een warboel. De zware kost van de lezing lijkt een zichtbare strijd aan te gaan met de huiselijke omgeving van de keuken, waar het dochtertje spreekwoordelijk roet in het eten gooit. Ze speelt met het hete rooster en saboteert de afspeelapparatuur. Ondertussen blijft Donoghue volhardend doorgaan en jongleert ze haar identiteit als kunstenaar en als  moeder.

Het werk dat centraal staat in de eindpresentatie is ‘A certain capacity for occupying space’, waarin Donoghue vijf vrouwen filmt, die drie jaar geleden in Londen hetzelfde kunstwerk zagen. Het kunstwerk wordt niet met naam en toenaam genoemd en elke specifieke referentie eraan is uit de opname geknipt (hoewel het voor enkelen ook aan de hand van de summiere informatie bekend zal zijn over wie en wat hier gesproken wordt). Drie jaar na dato vraagt Donoghue de dames hoe de ruimte eruit zag? Wat hun verwachtingen waren? En waaruit het kunstwerk bestond? Ze herinneren zich een witte ruimte, sommigen noemen specifiek het bureau of de boekwinkel die zo prominent aanwezig waren. Ze beschrijven alle vijf hoe ze een ruimte binnen treden en daar een groep kinderen zien. Volgens de een rennen de kinderen rond, volgens de ander zijn ze heel gelukkig en vrolijk. Weer een ander benadrukt dat ze een school uniform droegen, terwijl de ander er van overtuigd is dat ze juist hun eigen kleiding droegen.

Een van de kinderen maakt zich los uit de groep en spreekt de bezoeker aan. Maar wat ze exact zeggen? Dat lijkt niemand zich drie jaar later nog exact te herinneren en blijft in de film onuitgesproken.

Het resultaat van A Certain Capacity.. is een archief van vijf ooggetuigenverslagen. In eerste instantie lijkt de video het cultureel geheugen te concretiseren door letterlijk te vragen naar de herinnering van een culturele uiting. Visueel summier, geabstraheerd van associaties, reflecties en duidelijke verwijzingen, lijken alleen de veronderstelde feiten – en hoe deze door de geïnterviewden worden overgedragen – te worden vastgelegd. Maar tegelijkertijd toont de film zijn eigen problematische karakter. Niet alleen spreken de geïnterviewden elkaar soms tegen. Ook wordt duidelijk dat ze elk als het ware op een actieve wijze hun eigen realiteit vormen. Daarmee wordt blootgelegd hoe culturele herinneringen, met hun overduidelijke subjectieve aard, tegelijkertijd een feit en fictie zijn, actieve constructies van het verleden in het heden zijn. In de woorden van de titel, een zekere capaciteit hebben de ruimte in te nemen.

Het lijkt alsof Donoghue de werking van het geheugen, net zoals bij ‘Performing Memory’, voor een seconde weet te grijpen en vast te leggen, om vervolgens te laten opgaan in een zee van vragen. Hoe verhoudt de individuele ervaring zich tot de algemene culturele herinnering? Welke waarheid legt dit archief van ooggetuige verslagen vast? Donoghue toont ons de culturele herinnering als drijfzand: ogenschijnlijk concreet, maar vervaarlijk vloeibaar onder de oppervlakte.

De stroom van culturele herinneringen draagt bij aan de vorming van realiteit en identiteit, zoals ook het Kunsthuis SYB met de uiteenlopende culturele uitingen, in nagedachtenis van Sybren Hellinga, zich telkens opnieuw een plaats verwerft in het collectieve bewustzijn van Beetsterzwaag en bijdraagt aan de culturele identiteit. Donoghue geeft ons geen antwoorden, maar toont ons de gelaagdheid van de herinneringenstroom en hoe deze altijd in beweging is, nooit statisch is, nooit af. Ook de herinnering van de performance en presentatie bij SYB vloeit door in deze recensie en zal hopelijk vele nalevens krijgen in het geheugen van de lezer.

THE HABITS OF REMEMBRANCE

April 8, 2008

The Habits of Remembrance by Steve Rushton is a text in response to Rehearsing Memory, 2007. 

It has appeared in The Collapse of Several Pillars, an exhibition catalogue for the exhibition Knowing Nothing of Agility, TENT, Rotterdam, 2007.

 

Let’s imagine that four people meet in order to remember something that happened a long time ago. Three of the people experienced the event and the fourth person was not alive when it happened. Now, they all agree that the event took place but each has a different interpretation of those events.

This collective remembering happens in the present and speaks of the past. So, let’s briefly consider time and its relation to memory.

i)

There are different ways of understanding memory and each has its own technological logic. Some think of memory as a series of ‘snapshots’, others like to believe that memories are recorded like the ‘flash-back sequence’ in a movie, others think of the brain as some kind of sophisticated ‘hard drive’ that can retrieve and organize  ‘data’. An even older idea is the religious notion that memories are ‘transmitted’ in the same way that God transmits the truth of his existence to believers – this idea passed over to the age of radio, which at its inception was regarded as a strangely supernatural medium (disembodied voices floating on the ether). Today we are entering the era of ‘wearable memory’ – this is a little mobile camera that records the faces and voices of the people you encounter and, using recognition software, whispers their name in your ear when you next meet. In this final scheme memory becomes something radically exterior to us – memory can only be understood as ‘information’ and we also become in some way information machines, exchanging information with other machines. The camera has always been the prosthesis of memory (a tool of verification of the past) but today our mobile phone can take any number of snapshots of the most trivial thing – why memorise something when you can take a more reliable snap shot? Why remember a name when your wearable memory can do it for you?

But such an argument avoids asking what memory actually is – is it something more than information, is memory more than a retrieval system, or more than the flashing dance of synapses – those tiny transmitters in our dark skulls?

 

ii.)

To talk about memory as a snapshot is an interesting starting point (principally because there’s so much wrong with the notion that it helps us think about other modals of what memory might be). We can imagine the snapshot as a particle of the past that is fixed – and this very idea encourages us to believe that there is such a thing as the past, present and future. But maybe the past, present and future aren’t what we assume them to be.

 

Bergson uses a photographic metaphor to help us understand a different conception of time to the one we habitually understand. The snapshot in Bergson is the object which divides and which underlines the artificiality of the ‘thing’ and the ‘state’. When we understand a memory as a snapshot it betrays our natural tendency, our habit, of dividing time from the continuity of our inner life But the metaphor of the snapshot is useful to make us aware of our habits of thinking, so that he can then describe time as the “very fluidity of our inner life”, or as “The present ceaselessly reborn” To help us understand this idea the fluidity of our inner life, which is embodied time and memory, Bergson tells us this story:

 

“A melody to which we listen with our eyes closed, heeding it alone, comes close to coinciding with this time which is the very fluidity of our inner life; but it still has too many qualities, too much definition, and we must efface the difference among the sounds, then do away with the distinctive features of sound itself, retaining of it only the continuation of what precedes into what follows and the uninterrupted transition, multiplicity without divisibility and succession without separation, in order finally to rediscover basic time. Such is immediately perceived duration, without which we would have no idea of time.”…

 

 

In considering the nature of time Bergson finds it necessary to proceed through negative definition, to describe what time is not in order to construct a notion of what time is. He proceeds by describing time as proceeding from the very fluidity of our inner life. He then goes on to describe how we pass from an ‘inner time’ to the ‘time of things’. Here Bergson breaks the illusion of the division between the interior and exterior self (“a surface film of matter in which perceiver and perceived coincide”) by suggesting that such divisions are illusory. In the above quotation we are invited to imagine the nature of time by progressively denuding a property that passes through it (music) of its characteristics, and we are consequently left with the mere experience of embodied time. It is common for us to lose touch with the nature of basic time because we habitually tend to spacalize it, cutting into its indivisible continuity and viewing aspects of the world as if they are static entities (snapshots). But Bergson’s time is not essentially logical, in the sense that it can be examined on the scientific bases which philosophy traditionally accords it. As Wildon puts it: “[Bergson’s notion of] time as duration [durée] can only be lived through intuition, a form of apprehension that is qualitatively distinct from representation and that overcomes spacalization through effectuating a certain fusion with the very flux of time itself.” In Bergson, therefore, we can see a means through which we can recognize the various technologies that spatialised time, that materialize and memorialize it, as well as philosophical notions that attend such technologisation. These technological views of time, these habits of thinking, are set against a view of life as being constitutive of the flow and change that is duration itself. Similarly consciousness and memory are indivisible from the same flux and represent an indeterminate interval, a virtual state between states which is nevertheless real. To commit only a slight injustice to Proust, memory might be seen as: “real without being actual, ideal without being abstract.” The influence of Bergson on Proust centers on Proust’s understanding of time as movement. Time is ‘regained’, for instance, precisely through this movement – memory is transformed in remembering, where the past is remade in a present ceaselessly reborn.

 

 

 


Financial Times, Digital Bussiness section, p.5 May 30, 2007

Bergson, H., Duration and Simultaneity, Clinamen,1999, p.30

ibid, p.p30

ibid, p 30

ibid, p., p.30

ibid, p.p 31

Wildon, C., “Bergson’s Theory of Knowledge and Einstein’s Theory of Relativity”, Lecture to the Lyceum Club, 2000, p.1

Proust, M., in Remembrance of Things Past, speaks of the past as “real without being actual, ideal without being abstract.” Proust, M., À la recherche du temps perdu, Gallimard, Bibliothèque de la Pléiade, 1987-9, volume four, p.453..